Het leukste aan vakantie vind ik vaak het verblijf in een vreemde omgeving: me tijdelijk onderdompelen in een ander land, een andere cultuur, een andere taal en smaken proeven die ik nog niet kende.
Vorige week was ik met mijn gezin op Gran Canaria (en heb ik op mijn 40e (!) voor het eerst gevlogen). We kwamen in een totaal andere wereld en voelden de warme zon op ons gezicht, terwijl het winter is in Nederland. Om me heen zag ik palmbomen, cactussen en schitterende bloemen.
Waar zijn de locals?
Na een tijdje begonnen me ook een paar andere dingen op te vallen. Zo vroeg ik me af waar de ‘locals’ zijn, waar hun kinderen naar school gaan, in welk park ze elkaar ontmoeten, en waar de kinderen spelen? Hoe ik mijn best ook deed, een park was niet te vinden en overal zag ik roodverbrande toeristen om me heen. In de supermarkten vond ik Zweedse balletjes in ‘The Nordic Corner’ (voor de grote groepen Scandinavische toeristen) en Engelse peper en zout in ‘The Anglo corner’ (voor de grote groepen Britten). Ik ontdekte de baaien gevuld met zwembaden, midgetgolf banen en hotels, maar waar woonden nu de ‘Canaries’? Wie leefden er verder op dit eiland behalve de schoonmaaksters, de receptionistes en de autoverhuurders?
We trokken met de gehuurde auto het binnenland in op zoek naar de ziel van het eiland. In de enkele dorpjes kregen we wel een iets betere indruk van het werkelijke leven op het eiland, maar het bleef vooral buitenkant en gericht op niets doen en verstrooiing. Het wekte op mij een heel vervreemdende indruk en ik begon me af te vragen wat ik hiervan mee zou kunnen nemen in mijn leven in Nederland.
En nu, al schrijvend vraag ik mij af wat me dit zegt over werken in bedrijven? Wat zegt vervreemding mij als ik denk aan hedendaags werk?